BASISSCHOLING

HOOFDSTUK 8 SOCIALISME EN COMMUNISME

1. INLEIDING

In dit onderdeel van het scholingsmateriaal wordt het vraagstuk van het ontstaan en de ontwikkeling van het socialisme en het communisme behandeld. Het woord "communisme" en nog meer de betekenis ervan heeft sinds het ontstaan van klassen voor de uitgebuite klasse een bijzondere lading gehad. Het drukte voor hen het verlangen naar een maatschappelijke toestand uit waarin zij niet langer veroordeeld zouden zijn tot levenslange arbeidsslavernij ten bate van een kleine minderheid. Voor die kleine minderheid betekende het communisme een aanval op de bestaande orde. Een orde die, omdat zij haar bestaans-voorwaarde vormde, in haar ogen een van god gegeven, natuurlijke orde was.
Zolang echter de materiele voorwaarden voor de werkelijke doorvoering van het communisme ontbraken moesten de verlangens van de uitgebuitenen een uitweg vinden in de **n of andere communistische utopie, een gefantaseerde, ideale maatschappijtoestand zonder klassen en arbeidsslaverij. Vaak namen deze utopieen een godsdienstige vorm aan, de vestiging van het rijk god's op aarde. Bloedige vervolging, dreiging met hel en verdoemenis, maar ook de vlucht in de hoop op verlossing in het hiernamaals moesten de slaven en horige boeren van het streven afhouden hun utopische voorstellingen in de praktijk te brengen.
Onder het kapitalisme heeft de enorme ontwikkeling van de produktiekrachten echter een werkelijke basis geschapen voor de opheffing van de klassen. Voor het kapitaal en zijn ideologen is het communisme inderdaad het bedreigde spook dat hen tot hun ondergang als klasse zal blijven bezoeken. Vandaar dat zij het communisme voortdurend willen vervalsen tot een utopie, iets dat niet gerealiseerd kan worden. Zolang het communisme een dergelijke vage en gevoelsmatige vorm heeft willen de burgerlijke ideologen het nog wel accepteren als ongevaarlijke maanziekte. Zodra echter een wetenschappelijk karakter krijgt en zich duidelijker tegenover de bestaande maatschappij opstelt dan schilderen zij het af als dictatoriaal en totalitair. Want dan kan het de massa's leiden in de praktische strijd voor de vernietiging van hun heilig kapitalisme.

Wat betekent communisme? Voor het marxisme-leninisme zijn drie nauw met elkaar verbonden betekenissen van het woord communisme te onderscheiden:
- het is de wetenschappelijke theorie van de proletarische klassenstrijd en van het ontstaan en de ontwikkeling van de socialistische en communistische maatschappijvorm. Deze theorie wordt wetenschappelijk socialisme of wetenschappelijk communisme genoemd;
- het duidt de werkelijk sociaal-politieke beweging die strijdt voor het communisme aan;
- het is de naam van zowel de eerste maatschappijvorm van de mens, het zogenaamde "oercommunisme", als van de moderne klassenloze maatschappij;

Kortom, het begrip communisme brengt de objektieve ontwikkelingstendens van de geschiedenis, het wetmatig karakter van het ontstaan en weer verdwijnen van klassen en klassenmaatschappijen tot uitdrukking. In feite is in de leer van het wetenschappelijk communisme de hele marxistische theorie in zijn hoogste vorm samengevat en daarmee als het praktische doel van de communistische beweging geformuleerd.

Daarom vormt het onderdeel "SOCIALISME EN COMMUNISME" ook een soort afsluiting van de voorafgaande delen van de basisscholing. Tegelijkertijd legt het weer de verbinding tussen theorie en praktijk: tussen de marxistische-leninistische theorie en de praktijk van de strijd voor, en de opbouw van, het reele socialisme en communisme. Het wetenschappelijk communisme behandelt natuurlijk slechts de historische wetmatigheden van het ontstaan en de ontwikkeling van socialisme en communisme. De werkelijke geschiedenis van de revolutionaire arbeidersbeweging legt onvermijdelijk zigzag- en zijwegen af. In dit hoofdstuk zullen we daar niet op ingaan, maar zullen we alleen de hoofdlijnen volgen. De communistische beweging kan ook alleen op basis van een wetenschappelijke verwerking van haar geschiedenis leren van haar eigen fouten.

2. HET ONTSTAAN VAN DE VOORWAARDEN VAN HET COMMUNISME ONDER HET KAPITALISME

2.1. Het kapitalisme ondergraaft zichzelf

In het onderdeel "Politieke Economie" is al uitgebreid ingegaan op de fundamentele tegenspraak van het kapitalisme. De tegenspraak tussen het maatschappelijke karakter van de door het kapitalisme zelf ontwikkelde produktiemiddelen en de particuliere toeeigening daarvan. Dat betekent dat de individuele arbeiders hun arbeidsmiddelen en arbeidsprodukten niet zelf toe kunnen eigenen. Twee klassen: arbeiders die niets anders dan hun arbeidskracht bezitten, en kapitalisten die die maatschappelijke produktiemiddelen monopoliseren, komen lijnrecht tegenover elkaar te staan. De verdere concentratie en vermaatschappelijking van de produktiemiddelen, dat wil zeggen de verdere ontwikkeling van de produktiekrachten kan alleen nog geschieden door de gelijktijdige concentratie en centralisatie van kapitaal. Dit betekent onteigening van loonarbeid uitbuitende kapitalisten, bijvoorbeeld doordat ze failliet gaan. Ook door het ontstaan van monopolies, en nog later van multinationals en ten koste van niet-monopolistisch kapitaal en kleine middenstand.
Daarnmee wordt niet alleen de ontwikkeling van de moderne produktie-krachten in de hoogontwikkelde kapitalistische wereld geremd. De imperialistische uitbuiting van de zogenaamde "Derde Wereld" leidt zelfs tot een proces van onderontwikkeling. De invoering van de moderne produktiewijzen in deze landen stagneert. Daarenboven worden regelmatig, bij de periodiek optredende economische crisis produktiekrachten vernietigd (zie onderdeel "Politieke Economie"). Kortom het kapitalisme ondergraaft zichzelf. Dit gaat echter ten koste van de arbeidersklasse die immers afhankelijk is van datzelfde kapitalisme.
Om niet volledig een speelbal van het kapitaal te worden zijn de arbeiders gedwongen zich te organiseren en gemeenschappelijk op te komen voor hun economische belangen. Met de ontwikkeling van het kapitalisme ontstaan zowel de moderne techniek (die ook steeds meer toegepaste wetenschap wordt) als de sociale macht die zich deze produktiemiddelen moet toeeignen. Dat kan de arbeidersklasse alleen maar doen door het kapitaal je onteigenen en de produktiemiddelen tot gemeenschapseigendom, eigendom van de proletarische staat te maken.

2.2. De laatste klassenmaatschappij

Daarmee is het kapitalisme ook de laatste klassenmaatschappij. Marx en Engels hebben aangetoond dat het ontstaan van klassen historisch noodzakelijk is door de geringe produktiviteit van de arbeid. De verdere ontwikkeling van de produktiekrachten kon oorspronkelijk alleen maar geschieden op basis van de gedwongen meerarbeid van de grote massa van de werkende bevolking en de niet-arbeid van een kleine elite.
De kapitalistische produktiewijze bracht echter de arbeidsproduktiviteit op en dusdanig niveau, dat elke vorm van uitbuiting historisch achterhaald werd. Vanaf dat moment wordt de verdere ontwikkeling van de produktiekrachten in de eerste plaats geremd door het tegenstrijdige karakter van dwangarbeid door velen en niet-arbeid door weinigen. De arbeiders moeten zelf hun produktiemiddelen toeeigenen, een socialistische revolutie doorvoeren, dan pas kunnen die nieuwe produktiekrachten zich volledig ontplooien.
 

3. HOOFDTREKKEN VAN DE SOCIALISTISCHE REVOLUTIE

Revolutie betekent omwenteling. Onder een sociale revolutie verstaan we een fundamentele kwalitatieve omwenteling van de maatschappij, als gevolg waarvan een historisch overleefde maatschappijformatie wordt afgelost door een nieuwe. In klassenmaatschappijen zijn dergeljke revoluties noodzakelijk. Zij worden veroorzaakt door het conflict tussen de ontwikkelde produktiekrachten en de produktieverhoudingen die daarmee niet meer in overeenstemming zijn. Het poklitieke kenmerk van een sociale revolutie is de overgang van de staatsmacht uit de handen van de heersende reaktionaire klassen. Daarom is iedere sociale revolutie tegelijk een politieke revolutie.

3.1. Het permanente karakter van de revolutie

Het feit dat de socialistische revolutie niet alleen een einde maakt aan de kapitalistische, maar tegelijk aan elke klassenmaatschappij bepaalt ook het speciale karakter van de socialistische revolutie. Marx sprak in dit verband over het "permanente" karakter van de revolutie. Dat hield in dat het proletariaat niet halverwege kon blijven staan. Hij schreef over het revolutionaire socialisme of communisme:

"Dit socialisme is de permanentverklaring van de revolutie, de klassendictatuur van het proletariaat die het noodzakelijke doorganspunt voor de afschaffing van de klassenverschillen als zodanig vormt. Voor de afschaffing van alle produktieverhoudingen waarop ze berusten. Voor de afschaffing van alle maatschappelijke verhoudingen, die overeenkomen met deze produktieverhoudingen. Voor een omwenteling van alle ideeen, die uit deze maatschappelijke verhoudingen ontstaan." 1)

Dit is het fundamentele verschil met de burgerlijke revoluties die meestal dienden om de reeds binnen het feodalisme ontstane burgerlijke produktieverhoudingen (vooral in de steden) te bevrijden van hun politieke kluisters. Daarom aarzelde de bourgeoisie meestal om de oude feodale macht radikaal op te ruimen. Want met het ontstaan van de burgerlijke klasse was ook het proletariaat ontstaan. De ondergang van het feodalisme ging tevens gepaard met een verscherpte uitzuiging en ellende van de grote massa van de werkers, met name van de boeren en de handwerkslieden. Tegelijkertijd profiteerden de vroegere vormen van kapitalisme, het handels- en woekerkapitaal van de uitbuiting en verpaupering van de massa's en waren dus geneigd een contra-revolutionaire positie in te nemen.

Toch was elke grote revolutie onmogelijk zonder de aktieve deelname van de grote massa van het volk. De burgerij moest na elke geslaagde revolutie klaarstaan om zijn nieuw verworven macht en eigendom gewapenerhand te verdedigen tegen de geradikaliseerde bevolkingsmassa. Dit halfslachtige karakter van de burgerlijke revoluties bracht met zich mee dat zij in Europa meer dan drie eeuwen (vanaf de 80-jarige oorlog, 1568 tot 1648) in beslag hebben genomen. Voortdurend worden zij afgewisseld door perioden van reaktie en compromissen met het feodale systeem. In feite duurden zij tot in deze eeuw, tot de opkomst van de proletarische revoluties. Deze proletarische revoluties, bijvoorbeeld in Rusland en Duitsland hadden tegelijkertijd socialistische en burgerlijke (anti-feodale) doelstellingen. Ook de anti-imperialistische bewegingen in de zogenaamde "Derde Wereld" moeten vechten tegen een coalitie van grootgrondbezitters en met het imperialisme verbonden grootkapitalisten. Hier is dus evenzeer sprake van een "permanente revolutie", maar parmanent in de zin van een verbinding van de anti-imperialistische met de socialistische fase van de revolutie. In de imperialistische landen vormden de feodale overblijfselen, hoe belangrijk ook (zoals later in Rusland van het begin van deze eeuw), een ondergeschikte faktor. In de koloniale en half-koloniale gebieden echter overheerste de verbinding van binnenlandse pro-imperialistische krachten en buitenlands kapitaal. Daar stond daarom in de eerste fase van de revolutie het anti-imperialistische karakter daarvan voorop, gedragen door een coalitie van een nationaal-democratische bourgeoisie met brede lagen van de, door het imperialisme onderdrukte en uitgebuite, werkende bevolking.

3.2. Ongelijkmatige ontwikkeling

Marx heeft tevens gewezen op het internationale karakter van de "permanente" proletarische revolutie. Het kapitalisme is fundamenteel een internationaal stelsel. Tegelijkertijd kent het een zeer ongelijkmatige ontwikkeling en is het zelf ontstaan in die kleine uithoek van de wereld (West-Europa), waar het feodalisme een bepaalde ontwikkeling had doorgemaakt. Uit zichzelf kon het kapitalisme slechts onstaan daar waar het kleine priv*-eigendom van de producent al reeds bestond. De onteigening van die kleine bezitters maakte een nieuwe ontwikkeling van de produktiekrachten mogelijk.
In de rest van de wereld was de overheersende produktiewijze die welke beruste op de **n of andere vorm van collectief bezit. In India, China en Indonesie, waar de grote meerderheid van de Aziatische bevolking leefde, werd tot aan het koloniale tijdperk de maatschappelijke basis gevormd door kleine, zelfvoorzienende dorps-gemeenschappen. De voortdurende noodzaak van de door dorpsbeamten georganiseerde irrigatie, en het samengaan van agrarische en ambachtelijke produktie verhinderden het ontstaan van het kleine priv*-eigemdom. Voor deze gebieden leidde het ontstaan van het kapitalisme in West-Europa tot koloniale overheersing en uitbuiting. Voor de boerenmassa's in wat nu de "Derde Wereld" genoemd wordt betekende dat de vernietiging van het irrigatiesysteem, de kunstmatige invoering van het particuliere eigendom en daarmee de versnippering van grond. Samen met het stukslaan van de kleine ambachtelijke produktie door de overmachtige kapitalistische concurentie uit West-Europa leidde dit tot overbelasting en uitputting van de oorspronkelijke produktiewijze. De onteigening van de dorpsgemeenschappen had geen ontwikkeling van een nationale kapitalistische economie tot gevolg, maar verpaupering van de plattelandsbevolking en het verhinderen van de ontwikkeling van de produktiekrachten in de landbouw.
Het kapitalisme zelf was, aan het eind van de 18e eeuw en in de eerste helft van de 19e eeuw, nog bezig haar revolutionaire werking op de ontwikkeling van de produktiekrachten uit te oefenen. De moderne industrie, machinale produktie en de instelling van de wereldmarkt zijn haar eigen voortbrengsel.
In deze periode gingen Marx en Engels er terecht van uit dat een socialistische revolutie alleen in de centra van het kapitalisme kon plaatsvinden. Volgens hen zou deze revolutie bovendien in de belangrijkste landen gelijktijdig moeten uitbreken, aangezien alleen de directe verbinding van de afzonderlijk nog zwakke en jonge revolutionaire arbeidersbeweging de overwinning mogelijk maakte.
Naarmate het kapitalisme zich verder ontwikkelde veranderden ook de voorwaarden voor een socialistische revolutie. Het kapitalisme breidde zich uit in Europa, Noord-Amerika, Australie en Japan. Het consolideerde zich en verdiepte daarmee tegelijkertijd zijn innerlijke tegenstrijdigheden. De conservatieve, de ontwikkeling van de produktiekrachten remmende tendens van het kapitalisme versterkte zich tegenover de progressieve, revolutionaire tendens ervan. De grote bourgeoisie verbond zich steeds meer met het feodale en reactionaire grootgrondbezit en de militaristische kringen die daaruit voortkwamen. En Europa gebeurde dat vooral daar waar feodale grootgrondbezit en de feodale alleenheerschappij nog sterk waren, zoals in Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Spanje, Italie, en met name in het tsaristische Rusland. In Oost-Europa en de geheel of gedeeltelijk gekolonialiseerde gebieden buiten Europa steunde het kapitaal bij zijn koloniale uitbuiting en overheersing zelfs direct op de inheemse feodale heersers, het parasitaire grootgrondbezit en woekerkapitaal. Daarmee verdiepte zich ook de ongelijkmatigheid in de ontwikkeling van het kapitalisme op wereldschaal.

3.3. Bondgenootschap tussen arbeiders en boeren

De kracht van de revolutionaire beweging hing altijd af van de mate waarin de proletarisch-socialistische stroming zich kon verbinden met de burgerlijk-democratische. Naarmate de hierboven geschetste ontwikkeling zich doorzette nam binnen de burgerlijk-democratische stroming het gewicht van de eigenlijke bourgeoisie af uit angst voor de revolutie. Daarentegen versterkte in Oost Europa, Azie en Latijns Amerika zich het element van de democratische boerenbeweging, met name van de arme boeren, die steeds meer te lijden kregen van de combinatie van kapitalistische en feodale uitbuiting. Tegelijkertijd groeide de arbeidersbeweging in een aantal landen aan de rand van de kapitalistische wereld. Daar kon met name het westerse grootkappitaal profiteren van het ontbreken van een krachtige nationale kapitalistische sector. In Rusland ontstaan aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw in korte tijd enorme bedrijven die duizenden arbeiders in dienst hebben. Onder de arbeidersconcentraties in de grote Russische industriesteden ontwikkelt zich een socialistische beweging, terwijl de crisis op het platteland zich verdiept.
In het laatste kwart van de 19e eeuw constateren Marx en Engels al een verschuiving van het centrum van de revolutie uit het hart van het hoogontwikkelde kapitalisme, in oostwaartse richting. Daarmee gepaard gaat de steeds grotere betekenis die zij hechten aan het vraagstuk van de boeren en het grondbezit. Zij leggen er de nadruk op dat ook de boerenbevrijding pas definitief mogelijk is op basis van de proletarische doelstelling van de collectieve en nationale organisatie van de arbeid. Maar in eerste instantie moet

"... het proletariaat ... als regering maatregelen nemen, waardoor de positie van de boer direkt verbetert, die hem dus voor de revolutie winnen; maatregelen, die echter in de kiem de overgang van het privaateigendom van grond naar collectief eigendom vergemakkelijken, zodat de boer vanzelf economisch daartoe komt." 2)

Dat betekent ook dat het priv*-eigendom van de boer niet in **n klap afgeschaft moet worden. Daaruit blijkt dat voor Marx en Engels de boeren toen al van grote betekenis voor de revolutie waren.

3.4. Imperialisme en toespitsing van de kapitalistische tegenstellingen

In het scholingsonderdeel "Politieke economie 2. Imperialisme" werd al uiteengezet hoezeer in het staatsmonopolistische stadium van het kapitalisme de voorwaarden voor een socialistische revolutie tot rijping komen.

"Het staatsmonopolistische kapitalisme is de volledige materiele voorbereiding van het socialisme, is zijn directe voorstadium.,want op de historische ladder bestaan er tussen deze trede en die welke socialisme heet geen tussenliggende treden meer." 3)

De monopolies belichamen namelijk in toegespitste vorm de tegenstelling tussen maatschappelijke produktie en priv*-kapitalistische toeeigening. De monopolistische planning en organisatie van de produktie en de afzet, de regeling van de prijzen, enzovoort, dienen immers om de beheersing van de markten te gebruiken om enorme extra-winsten ten koste van niet-monopolistische concurrenten te behalen.
Dat betekent ook dat ongelijkmatigheid van de ontwikkeling van het kapitalisme in dit stadium tot het uiterste verdiept wordt. Enerzijds heeft dat tot gevolg dat alle (hoofd)tegenspraken van het kapitalisme zich op wereldschaal versterken. Anderzijds dat deze tegenspraken elkaar in hun uitwerking in bepaalde landen verzwakken en leidt hun verbinding in andere landen tot een versterking van hun tegenstrijdigheid en verscherping van de economische en sociale crisis. En daarmee komen ook de objectieve voorwaarden voor een socialistische revolutie in de verschillende landen in ongelijke mate en met een verschillend tempo tot rijping. Lenin trok daaruit de conclusie:

"het socialisme kan niet gelijktijdig in alle landen overwinnen. Het zal eerst in **n of enige landen overwinnen, andere zullen voor een bepaalde tijd burgerlijk of voorburgerlijk blijven." 4)

De objektieve voorwaarden voor een revolutie zijn die objectieve sociale, economische en politieke oorzaken die tot een verscherping van alle sociaal-politieke tegenspraken leiden. Deze maken een revolutie mogelijk. Lenin onderscheidde drie hoofdkenmerken van een objectief revolutionaire situatie:
1. De heersende klassen kunnen niet meer op dezelfde wijze hun heerschappij uitoefenen;
2. De nood en de ellende van de onderdrukte klassen verscherpen zich op meer dan normale wijze;
3. De aktiviteit van de massa's neemt als gevolg van de bovengenoemde omstandigheden toe. (5)

Wanneer deze objectieve voorwaarden aanwezig zijn is er sprake van een revolutionaire situatie. Of een revolutionaire situatie inderdaad tot een revolutie leidt, dat hangt af van de subjectieve voorwaarden: het revolutionaire bewustzijn van de massa's, de politieke georganiseerdheid van de arbeidersklasse en haar bondgenoten, de aanwezigheid van een marxistische-leninistische partij die in staat is de massa's te leiden.

3.5. De oktoberrevolutie van 1917 in Rusland

Dat deze objectieve en subjectieve voorwaarden noodzakelijk zijn voor het uitbreken van een revolutie is ten volle bevestigd door de geschiedenis van de afgelopen 100 jaar. Zo bestond er in een groot aantal Europese landen aan het eind van en direct na de eerste wereldoorlog een in veel opzichten objectief revolutionaire situatie. Maar door het ontbreken van een aantal essentiele subjectieve voorwaarden kon de socialistische revolutie, behalve in Rusland in oktober 1917, nergens tot een succesvol einde gebracht worden.
Rusland vormde aan het begin van deze eeuw het knooppunt van alle tegenspraken van het wereldimperialisme. Deze werden door de deelname van Rusland aan de Eerste Wereldoorlog tot het uiterste toegespitst. De typische tegenstellingen op sociaal-economisch gebied van die tijd waren er allemaal aan te treffen: tussen arbeid en kapitaal, tussen het kapitalisme en de overblijfselen van de feodale lijfeigenschap en tussen de hoogontwikkelde industriegebieden en de achtergebleven randgebieden. Deze tegenspraken werden in hoge mate verscherpt door het tsaristische autocratische systeem van politieke, geestelijke en nationale onderdrukking. Rusland vormde toen duidelijk de zwakste schakel waar de imperialistische keten gebroken werd.
Maar deze vergelijking geeft ook aan dat de keten in zijn geheel, door de aan het imperialisme inherente tegenstellingen, onder grote spanning moet staan wil deze zwakste schakel breken.
Ook de belangrijkste subjectieve voorwaarden voor de socialistische revolutie hadden zich in het Rusland van die tijd relatief het verst onwikkeld. Dat bleek met name uit het feit dat alleen daar een met de arbeiders verbonden communistische partijd, de partij van de bolsjewiki, met een revolutionair program en strijdervaringen, opgebouwd kon worden. In Lenin hadden zij daarenboven een buitengewoon leider gevonden. Hij kon het rijpen van de revolutionaire voorwaarden op grond van zijn wetenschappelijkee analyses van het internationale monopoliekapitalisme en het imperialisme, en van de specifiek Russische situatie, voorzien. En op grond daarvan ontwikkelde hij een praktische revolutionaire strategie en taktiek.

3.6. Het revolutionaire wereldproces

In de hoogontwikkelde centra van het imperialisme heeft het monopoliekapitalisme tot een verzwakking van de revolutionaire kracht van delen van de arbeidersklasse geleid. De monopolistische extra-winsten en de groei van de parasitaire sektoren van het financierskapitaal, evenals de uitbuiting van de werkers in de koloniaal overheerste gebieden, maakten het mogelijk om bepaalde lagen van de arbeidersklasse te bevoordelen boven andere. Vooral door de ontwikkeling naar het staatsmonopolistisch kapitalisme (zie "Politieke economie 2 / Imperialisme") kon men via de herverdeling door de staat de arbeidersklasse mee laten profiteren van de monopoliewinsten. Hetzelfde effect had het snel groeiende contigent direct of indirect van de overheid afhankelijke loon- en salaristrekkers. Deze ontwikkeling ging gepaard met de verwording van de sociaal-democratische arbeiderspartijen en vakbonden tot reformistische en opportunistische organisaties die de revolutie niet slechts verloochenen maar zelfs aktief bestrijden. Het was onder de verantwoording van de sociaal-democratische regering Ebert dat de Duitse communistische leiders Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht vermoord werden, samen met tientallen communistische arbeiders.
Daar staat tegenover dat het imperialisme ook de grote massa's van de arbeiders, arme boeren en handwerkslieden in Azie, Afrika, Latijns-Amerika en het Nabije Oosten betrokken heeft bij de revolutionaire anti-imperialistische beweging. Alleen in bondgenootschap met, en onder leiding van de beweging van het proletariaat kunnen deze massa's een uitweg vinden uit de verpaupering en onderdrukking.
Sinds de Oktoberrevolutie heeft de communistische beweging zich ontwikkeld tot een wereldbeweging, die onder de meest uiteenlopende omstanditheden kan en moet opereren bij het vinden van konkrete wegen naar het socialisme. In die landen waar het reformisme binnen de arbeidersbeweging overheerst is zij erin geslaagd zich te handhaven en het revolutionaire wezen van de arbeidersklasse levend te houden. Op basis van dit proletarisch internationalisme hebben de communistische partijen telkens weer massabewegingen tot ontwikkeling gebracht die de reaktionaire, militairistische en mensheid en wereldbeschaving bedreigende tendenzen van het imperialisme hebben bestreden.
Samenvattend kunnen we vaststellen dat we te maken hebben met een wereldrevolutionair proces, waarbinnen de verschillende bewegingen hun eigen, noodzakelijke bijdrage leveren tot de onvermijdeljke overwinning van het socialisme. De drie revolutionaire hoofdstromen daarbinnen zijn: het socialistische wereldstelsel, de arbeidersbeweging in de kapitalistische landen, en de nationale bevrijdingsbewegingen in de zogenaamde "Derde Wereld". De leidende kracht van dit revolutionair proces wordt gevormd door de internationale arbeidersklasse, die het streven naar de opheffing van de klassenmaatschappij belichaamt. Zij is zowel het produkt als de draagster van de moderne produktiekrachten, zij vertegenwoordigt de toekomst van alle andere werkende klassen en lagen. Daarom vormen dictatuur van het proletariaat en socialisme voor haar geen ideaal of einddoel. In tegenstelling tot die klassen voor wie de eigen heerschappij het hoogste goed is streeft de arbeidersklasse uiteindelijk naar het verdwijnen van elke vorm van heerschappij. Klassenstrijd betekende voor haar dan ook nooit een strijd die kan eindigen "met de gemeenschapelijke ondergang van de strijdende klassen. Dit mogelijk resultaat van de klassenbotsingen, zoals "Het Communistisch Manifest" het formuleerde voor de niet-kapitalistische uitbuitingsmaatschappijen, zou strijdig zijn met de doelstellingen van de revolutionaire arbeidersbeweging. Daarom ligt voor haar de strijd voor algemeen-menselijke belangen, tegen de bedreiging van de mensheid door milieu- en kernoorlogcatastrofes, in het verlengde van haar klassebelangen.

4. DE DICTATUUR VAN HET PROLETARIAAT

4.1. Revolutionaire omvorming en dictatuur

In zijn boek "Kritiek op het Program van Gotha" hekelt Marx allerlei kleinburgerlijke frasen die de toenmalige leiders van de Duitse sociaal-democratie in hun program hadden opgenomen. Deze hadden vooral betrekking op het karakter van de staat, van de overgansperiode tussen kapitalisme en communisme en op de twee fasen van het communisme. Over die overgangsperiode zegt hij:

"Tussen de kapitalistische en de communistische maatschappij ligt de periode van de revolutionaire verandering van de ene in de andere. Daarmee komt ook de politieke overgansperiode overeen., waarin de staat niets anders kan zijn dan de revolutionaire diktatuur van het proletariaat." 6)

In het vorig hoofdstuk is er al op gewezen dat er al kapitalistische verhoudingen onder het feodalisme konden ontstaan. Maar er kunnen zich daarentegen onder het kapitalisme geen socialistische produktieverhoudingen ontwikkelen Vandaar dat er na de socialistische revollutie, nadat de arbeidersklasse de macht heeft gegrepen, een "periode van revolutionaire omvorming" van het kapitalisme in het socialisme (de eerste fase van het communisme) noodzakelijk is. Over deze periode schrijven Marx en Engels in het "Communistisch Manifest":

Het proletariaat zal zijn politieke macht gebruiken om aan de bourgeoisie stap voor stap alle kapitaal te ontrukken, alle produktie-instrumenten in handen van de staat, d.w.z. van het als heersende klasse georganiseerde proletariaat te concentreren en de massa van de produktiekrachten zo snel mogeljk te vermeerderen." 7)

Ook het grootgrondbezit wordt onteigend, en afhankelijk van het ontwikkelingsniveau van de landbouw, hetzij verdeeld onder de indivuduele boeren, hetzij direct in de **n of andere vorm van collectief beheer aan de boeren gegeven. Dit onteigenen en in staatshanden brengen van de grote produktiemiddelen wordt in het Communistisch Manifest ook een "despotische ingreep" in de (kapitalistische) produktieverhoudingen genoemd. De klassenstrijd wordt dus na de revolutie in andere vormen en met behulp van de proletarische staat voortgezet. Net als de kapitalistische staat dient de staat van de arbeidersklasse als onderdrukkingsinstrument, als dictatuur van de heersende klasse over de overheerste klasse. Maar, zo benadrukt Lenin (rond 1920), de proletarische staat is tegelijkertijd in veel hogere mate democratisch als de meeste democratische burgerlijke republiek. Zij dient immers ter onderdrukking van een kleine minderheid door en ten bate van de grote meerderheid van de bevolking. De burgerlijke democratie blijft daarentegen altijd een middel om de uitgebuitenen, de meerderheid van het volk onder de duim te houden. "De onderdrukking van de kapitalisten en grootgrondbezitters blijft noodzakelijk omdat:
1. deze voormalige heersende klasse, zolang de revolutie niet heeft gezegenvierd in de belangrijkste kapitalistische landen, nog steeds over een machtig internationale basis beschikken;
2. hun culturele overheersing pas overwonnen kan worden na een lange periode, door de praktische en theoretische ontwikkeling van het maatschappelijk bewustzijn van de massa van de bevolking;
3. vooral in de landen die op een laag kapitalistisch nivo staan (zoals in Rusland voor 1918 het geval was) de grote laag van de kleine en middelgrote priv*-producenten (met name de boeren) in principe niet mogen worden onteigend en dus nog lang een bron van kapitalistische tendenzen kunnen vormen."

4.2. Fundering van de socialistische maatschappij

Lenin heeft echter ook op gewezen dat de onderdrukking van de bourgeoisie en de grootgrondbezitters, de uitoefening van geweld, weliswaar een onontbeerlijke, maar niet de voornaamste taak van de dictatuur van het proletariaat vormt. Het belangrijkste is het leggen van de grondslagen van de socialistische economie.

"Het proletariaat heeft de staatsmacht nodig, een gecentraliseerde organisatie van de macht, een organisatie van de dwang, zowel om het verzet van de uitbuiters te onderdrukken, als voor het leiden van de geweldige massa's van de bevolking, de boeren, de kleine burgerij, de halfproletariers, ten einde de socialistische economie "op gang te brengen"." 8)

De socialistische economie kan niet met geweld op gang gebracht worden. Alleen via zijn economische rol in de industrie, die het op nationale schaal en planmatig organiseert, kan het proletariaat het bondgenootschap met de kleine boeren ontwikkelen. Op deze wijze kan de arbeidersklasse de boeren overtuigen van de voordelen van het socialisme en van collectieve landbouwbedrijven. Ook de vrijwillige collectivisatie is een vorm van klassenstrijd. Hierbij gaat het erom, door het stimuleren van verschillende vormen van cosperatieve organisatie, de overgang van het kleine bedrijf naar niet-kapitalistische grote bedrijfsvoering te bewerkstelligen. Dit moet echter vrijwillig gebeuren, d.w.z. op grond van strikt economische redenen. De ontwikkeling van een socialistische industrie is daarvoor een eerste vereiste. Omgekeerd kunnen pas door verhoging van de produktiviteit van de agrarische sektor voldoende voedingsmiddelen en grondstoffen voor de industriele sektor worden geproduceerd. Socialistische industrialisatie en collectivisering van de landbouw staan dus in nauwe wisselwerking met elkaar. De socialistische revolutie omvat ook een revolutie op cultureel gebied. Daarbij gaat het erom het beste uit de culturele erfenis van het kapitalisme verder te ontwikkelen, in veel ruimere mate als voorheen voor de arbeiders toegankelijk te maken en te integreren in de opbouw van de socialistische cultuur. De verhoging van het onderwijsniveau van de werkers en hun kinderen heeft daarbij de eerste prioriteit. Deze "culturele aspecten" van de socialistische revolutie hebben tot doel de ontwikkeling van een socialistisch bewustzijn te bereiken. Dat de meerderheid van de proletariers en half-proletariers de noodzaak van een socialistische revolutie inziet, betekent niet dat ze ook metteen het hogere nivo van bewustzijn bereikt heeft dat de socialistische opbouw mogelijk maakt. Daarom is het nodig om een culturele basisontwikkeling (te beginnen met de volledige opheffing van het analfabetisme) en ideologische vorming te verbinden met ervaring van de praktische deelname aan het politieke en economische bestuur door de werkers zelf. Het karakter van de staat moet fundamenteel veranderen opdat de arbeidersklasse de bovengenoemde taken ten uitvoer kan brengen. Het burgerlijk staatsapparaat moet stukgeslagen worden en vervangen door een staatsvorm waarbij wetgevende en uitvoerende macht zo nauw mogelijk met elkaar verbonden worden. Dit vereist dat de arbeiders op alle niveaus, via hun vertegenwoordigers en hun massaorganisaties controle uitoefenen op de uitvoering van hun wetten en besluiten. Daarbij ligt de belangrijkste prioriteit bij de organisatie van de economische planning. De politieke vertegenwoordiging van de arbeidersklasse kan alleen maar effektief en consequent zijn onder de leiding van zijn bewuste voorhoede: de communistische parij. Of dat gebeurt in de vorm van een **npartij-stelsel of niet. Dat hangt af van de konkrete historische voorwaarden waaronder de socialistische revolutie en opbouw moeten worden doorgevoerd. De geschiedenis van de socialistische revoluties en revolutionaire onvergangsperiodes in de verschillende landen maakt duidelijk dat het wezen van de dictatuur van het proletariaat in uiteenlopende vormen tot uitdrukking kan komen. Zo ontwikkelde zich de volksdemocratische vorm ervan, zoals die na de tweede wereldoorlog ontstond in de Oost-Europese landen, uit de nationale anti-fascistische bevrijdingsstrijd tegen de nazi's en tegen plaatselijke pro-fascistische krachten. In tegenstelling tot de sovjet-vorm van de dictatuur van het proletariaat werd daarbij voortgebouwd op de vooroorlogse of tijdens de bezetting opgezette volkfronten en enkele burgerlijk-democratische staatsinstellingen, zoals het parlement. Deze verkregen tijdens de opbouw van het socialisme een nieuwe, socialistische inhoud. De keuze van de vorm werd bepaald door de uiteenlopende nationale uitgangspositie en internationale omstandigheden waaruit de socialistische omvormingen begonnen werden. Op grond van de uiterst ongunstige omstandigheden waaronder de eerste en lange tijd de enige socialistische staat gevestigd en opgebouwd moest worden merkt Lenin op dat het voor Rusland makkelijker was dan voor ontwikkelde kapitalistsiche landen om de socialistische revolutie te beginnen, maar moeilijker haar te voltooien. Eerst moest de dictatuur van het proletariaat doorgevoerd worden om daarvan uitgaande de,voor het socialisme noodzakelijke, materiele en culturele voorwaarden te kunnen scheppen die in West-Europa en Noord-Amerika al bestonden.

5. DE TWEE FASEN VAN DE COMMUNISTISCHE MAATSCHAPPIJ

5.1. De eerste fase van het communisme: het socialisme

Met het leggen van de sociaal-economische fundamenten van het socialisme, dat wil zeggen met de vernietiging van het particuliere eigendom aan de belangrijkste produktiemiddelen, is dat wat Marx "de periode van de revolutionaire omvorming" noemt, voltooid. Vooral die produktiemiddelen die alleen maatschappelijk gebruikt kunnen worden, zoals de fabrieken en de grond, zijn in de **n of andere vorm van gemeenschappelijk eigendom van de hele maatschappij gebracht. In de regel betekent dat dat de produktiemiddelen hetzij staats- hetzij collectief (groeps)eigendom zijn geworden. De arbeiders, boeren en andere werkers werken nu niet meer voor een andere, niet-werkende klasse. De bezittende en een bezittende, maar niet werkende klasse bestaat niet meer. Dat betekent niet dat daarmee alle klassenverschillen opgeheven zijn. In praktisch alle socialistische landen bestaan uiteenlopende vormen van gemeenschappelijk eigendom. Een belangrijk klassenverschil bestaat tussen de voor de staatsbedrijven werkende arbeiders en de op de collectieve boerderijen werkende boeren. De arbeiders werken met staatseigendom en de boeren met groepseigendom. De onverzoenlijke klassentegenstellingen tussen uitbuitende en uitgebuite klasse is echter verdwenen. De verhouding tussen de socialistische klassen en sociale lagen (zoals de beoefenaars van intellectuele beroepen) is er een van samenwerking en wederzijdse ondersteuning. De arbeidersklasse is echter de leidende sociale kracht.
Met de opheffing van de klassentegenstellingen zijn alle sociale ongelijkheden echter niet verdwenen. Onder het kapitalisme hebben de produktiemiddelen een maatschappelijk karakter gekregen. Het socialisme betekent de erkenning van dat maatschappelijk karakter door deze produktiemiddelen in gemeenschapseigendom over te brengen. Maar daarmee is de arbeidsverdeling en de specialisatie van elk individu niet opgeheven. Net als in de geindustrialiseerde kapitalistische wereld zijn er onder het socialisme mensen die voor het grootste deel van hun aktieve leven mijnwerker, arts, machinebankwerker, kunstenaar, enzovoort, van beroep zijn. Elk individu ontwikkeld slechts een bepaalde kant van zijn vermogens. Vooral de deling tussen voornamelijk lichamelijke en voornamelijk geestelijke arbeid geeft beide soorten arbeid een eenzijdig karakter.
Onder het kapitalisme rekent het (burgerlijk) recht iedereen als warenbezitter, of iemand nou bezitter van produktiemiddelen is of slechts van zijn eigen arbeidskracht. Dit recht billijkt dus de uitbuiting van de arbeider door de kapitalist. Onder het socialisme werkt iedereen voor zichzelf, dat wil zeggen voor de gemeenschap van arbeiders, beambten en collectieve boeren van de socialistische staat. Het werk van ieder maakt dus direct deel uit van de maatschappelijk noodzakelijke arbeid. Hier geldt de regel: "van elk naar zijn vermogen, aan elk naar zijn prestaties." Van de totale maatschappelijke arbeid wordt eerst een deel afgetrokken dat noodzakelijk is voor direct maatschappelijke doeleinden. Zoals het reservefonds voor de uitbreiding van de produktie en ter vervanging van versleten produktiemiddelen, en tenslotten een fonds voor de kosten van bestuur, van het onderwijs, gezondheidszorg, bejaardenzorg, enzovoort. Na aftrek van deze hoeveelheid arbeid die voor het gemeenschappelijk fonds is bestemd, krijgt elke arbeider van de maatschappij evenveel terug als hij haar gegeven heeft. Wat dit laatste betreft geldt dus een soort gelijk recht. Dat betekent dat de arbeid van de werkers van meet af aan maatschappelijk is georganiseerd. Onder het kapitalisme is het de markt die pas achteraf de particuliere arbeid haar uiteindelijke maatschappelijke karakter geeft. Bewuste afstemming van de produktie op de maatschappelijke behoeftes is niet mogelijk. Pas het socialisme schept daarvoor de objektieve voorwaarden. De belangrijkste daarvan is de opheffing van de tegenstelling tussen het streven van het kapitaal om enerzijds het aandeel van het loon zoveel mogelijk te verlagen, anderzijds de hoeveelheid meerarbeid voordurend te vergroten, d.w.z. ook die welke in de waren steekt die door de arbeiders worden afgenomen. (zie scholingsdeel "Politieke Economie I").

De globale planning van de verdeling van het maatschappelijk produktie- en consumptiefonds legt natuurlijk niet vast hoe de arbeid wordt verdeeld over de afzonderlijke porduktietakken. Die verdeling hangt af van de ontwikkeling van de produktiekrachten en de behoeftes. Onder het socialisme bestaat er echter geen onverzoenlijk conflict meer tussen deze twee ontwikkelingen. De bevrediging van de behoeftes wordt onder het socialisme wat betreft het individuele consumptiefonds immers volgens de gelijke maatstaf van de verrichte arbeid bepaald. Maar zo onderstrepen Marx, Engels en Lenin, dit "gelijke recht" houdt in feite de ongelijkheid en onrechtvaardigheid in. Daarom noemen zij het socialisme pas de eerste of lagere fase van het communisme. Het socialisme is al communisme ondat de ongelijkheid wat betreft het eigendom van produktiemiddelen is opgeheven. Maar het betekent nog geen volledig communisme omdat de verdeling volgens de hoeveelheid arbeid neerkomt op ongelijkheid wat betreft het persoonlijk inkomen. Elk individu is immers verschillend en kan bij gelijke inzet en inspanning slechts ongelijke hoeveelheden arbeid verrichten. Daarbij komt dat hierbij ook geen rekening gehouden wordt met de ongelijke behoeftes. Arbeiders die dezelfde hoerveelheid arbeid leveren en dus hetzelfde inkomen genieten kunnen families hebben die zeer uiteenlopende aantallen afhankelijke familieleden bestaan. Deze verschillen worden echter voor een deel door het gemeenschappelijke fonds ongedaan gemaakt. Een dergelijke ongelijkheid en onrechtvaardigheid kan pas verdwijnen met het verdwijnen van de economische basis ervan, dat wil zeggen de eenzijdige arbeidspecialisatie en vooral de tegenstelling tussen lichaamlijke en geestelijke arbeid die daarvan het gevolg is. Deze economische omstandigheden heeft het socialisme geerfd van het kapitalisme waaruit het ontstaan is. Vandaar dat de belangrijkste tegenstellingen onder het socialisme gevormd wordt voor die tussen het communistische karakter van de eigendomsvorm en een ontwikkelingsnivo van de produktiekrachten dat daar nog onvoldoende mee in overeenstemming is.

5.2. De tweede fase: het volgroeide communisme dat zich op zijn eigen grondslagen ontwikkelt

Pas als tengevolge van de techinisch-wetenschappelijke ontwikkeling, die nu al een enorme vlucht heeft genomen, de direct produktieve arbeid i.p.v. door mensen door machines verricht gaar worden kan het aandeel van de noodzakelijke arbeid in het aktieve leven van elk individu tot een minimum worden teruggebracht. Dan heeft ook elk mens de tijd en de middelen om zijn vermogens volledig te ontplooien. De vrije arbeid (wetenschap, kunst) die elk individu op die basis kan verrichten is dan in plaats van middel om behoeftes te bevredigen zelf een eerste levensbehoefte geworden. De overvloed aan consumptiemiddelen die dankzij de enorm gestegen arbeidsproduktiviteit tegen een geringe arbeidsinspanning beschikbaar is gekomen kan naar behoefte worden verdeeld. Dan pas kan worden gesproken van het volledig "volwassen" communisme, dat zich ontwikkelt op zijn eigen grondslagen. Hierbij geldt de regel: "van elk naar zijn vermogen en aan elk naar zijn behoefte".
We zien dus dat onder het socialisme en communisme de sociale tegenstellingen opgelost worden door de zo snel mogelijke ontwikkeling van de produktiekrachten, in de eerste plaats van de basisproduktiekracht, de mens. Dit in tegenstelling tot het kapitalisme, waar de ontwikkeling van de wetenschap en techniek leidt tot vergroting van uitbuiting, tot verscherping van de klassentegenstellingen tussen arbeid en kapitaal.

5.3. De socialistische staat

We heben dus bij het socialisme te maken met een communistische maatschappij die, in de woorden van Marx, "In ieder opzicht, economisch, zedelijk, geestelijk, nog behept is met de moedervlekken van de oude maatschappij, uit welker schoot zij afkomstig is." 9)

Er blijft daarom nog ongelijkheid bestaan. Die is immers onvermijdeljk bij de toepassing van de regel dat gelijke arbeid met gelijk inkomen beloond wordt, bij de toepassing van dit "gelijke recht". Met deze gedeeltelijke handhaving van het (burgerlijk) recht moet ook een staatsapparaat blijven bestaan dat de inachtneming van dit recht afdwingt. Lenin laat hierover in zijn boek "Staat en Revolutie" geen misverstand bestaan:

"En in zoverre blijft nog de noodzakelijkheid bestaan van de staat die de maatschappelijke eigendom van de produktiemiddelen beschermt en tevens over de gelijkheid van de arbeidsprestatie en de gelijkheid bij het verdelen van de produkten moet waken. De staat sterft af inzoverre er geen kapitalisten, geen klassen meer zijn en men dan ook geen klasse meer kan onderdrukken. Maar de staat is nog niet geheel afgestorven, want nog blijft de bescherming van het "burgerlijk recht" over, dat de feitelijke ongelijkheid sanctioneert. Voor het volledig afsterven van de staat is het volledige communisme nodig. 10)

Daarom is er onder het socialisme ook sprake van een staatsplan dat de richtlijnenen voor de economie een rechtskarakter geeft. Het plan is een geheel van wetten die door de wetgevende macht, in de Sovjet-Unie de Opperste Sovjet, uitgevaardigd moet worden.
Alleen het algemene raamplan, dat, zoals in paragraaf 5.1 werd uiteengezet, slechts de algemene verdeling van de maatschappelijke arbeid betreft, kan overigens de vorm van voor iedereen geldende wetten krijgen. Daarbinnen zouden de afzonderlijke bedrijven en arbeiders de vrijheid moeten hebben om zich te richten naar de voortdurend, en steeds sneller, zich ontwikkelde behoeftes en technische mogelijkheden. Het socialisme schept met dat raamplan de voorwaarden waaronder de arbeiders, en de bedrijfsleidingen, niet meer beducht hoeven te zijn voor hun sociale zekerheid. Wisseling van de arbeid en technische innovatie betekenen dan geen bedreiging van die zekerheid meer, maar een verrijking van het bestaan.
Zo komt ook in de economische planning de leidende rol van de arbeidersklasse tot uitdrukking. De ontwikkeling van de socialistische economie is erop gericht de klassenverschillen die onder het socialisme nog bestaan geleidelijk aan op te heffen. De positie van de op de collectieve boerderijen nog werkzame boeren nadert die van de wetenschappelijk-technische ontwikkeling van de landbouw die daarmee steeds nauwer verweven raakt met de rest van de economie.

Onder het socialisme komt de leidende rol van de arbeidersklasse ook tot uiting in de toepassing van de technisch-wetenschappelijke en culturele ontwikkling. Zo wordt de automatisering niet gebruikt om arbeiders overbodig te maken. Wetenschap en cultuur dienen voor de verdere ontwikkeling van de kwaliteit van de arbeid, van het zelfinitiatief en van bestuurs- en leiderscapaciteiten van de arbeiders. Kortom de voorwaarden voor hun verdere ontwikkeling als veelzijdig aktief individu.

5.4. De socialistische democratie

Vandaar ook de grote betekenis van de leidende rol van de partij van de arbeidersklasse, de communistische parij, bij al deze processen. Alleen een organisatie die geleid wordt door een wetenschappelijke ideologie kan ook op wetenschappelijke wijze, met inzicht in de objectieve ontwikkelingbehoeftes van de maatschappij, leiding geven aan de economie. Dat wil zeggen echt plannen. Die ontwikkeling wordt bepaald door de maatschappelijke produktie. Dus kan die wetenschappelijke ideologie alleen die van de drager van de produktie zijn, van de arbeidersklasse en de andere werkers. Deze verbinding van wetenschappelijke, planmatige leiding vanuit een centrum en domocratische betrokkenheid en initiatieven vanuit de massa van de bevolking kenmerkt de werking van de socialistische democratie. De socialistische democratie betekent dus niet eenvoudigweg dat de rechtsgelijkheid van de burgers uitgebreid wordt ten opzichte van de burgerlijke democratie. Want pas door het recht op het particuliere eigendom van de produktiemiddelen af te schaffen kon het recht op arbeid ingevoerd worden. En werkelijke gelijkheid kan eerst worden doorgevoerd met het verdwijnen van het recht en de staat. Elke democratie betekent formele gelijkheid en veronderstelt feitelijke ongelijkheid. Voor de burgerljke ideologie is deze formele gelijkheid echter de hoogst mogelijke vorm van gelijkheid. Elke poging om die feitelijke ongelijkheid op te heffen zien zij dus als een aantasting van "de" democratie. Voor communisten gelden de democratie en het recht daartegen als middelen om werkelijke gelijkheid en rechtvaardigheid te veroveren. Middelen die met het bereiken van het doel hun dienst bewezen hebben en historisch gezien achterhaald zijn. Dan zal de eigenlijke communistische fase bereikt zijn. Dat houdt in dat recht en de staat afgestorven zullen zijn. Daarvoor in de plaats zal volledige maatschappelijk zelfbestuur van alle individuen gekomen zijn.

5.5. Socialisme en internationale klassenstrijd

Het socialisme ontwikkelt zich niet alleen uit het kapitalisme, maar, zolang er slechts **n of enkele socialistische staten bestaan, tegelijkertijd naast en in strijd met het kapitalisme. Daarmee neemt de klassenstrijd een nieuwe, hogere en internationale vorm aan. Die van de strijd tussen het opkomende, groeiende, maar nog zeer in zijn socialistische beginfase verkerende communisme en het oude, nog zeer machtige, maar in zijn laatste staatsmonopolistische fase verkerende kapitalisme. Dat betekent dat een systeem waarin de klassentegenstellingen niet meer bepalend zijn de internationale verhoudingen in toenemende mate beinvloedt. We hebben hierboven gezien dat het socialisme in die landen ontstond waar ongelijkmatige ontwikkeling van het kapitalisme, die onder het imperialisme een wezenlijk kenmerk van dat systeem werd, tot een uiterste verscherping van alle socialistische tegenstellingen leidde. Het reeel bestaande socialisme is dus in meerder opzichten het resultaat van de onoplosbare tegenspraken waarin het staatmonopolistisch en imperialistische wereldsysteem is verwikkeld. Hoewel het dus zo is dat onder het socialisme intern de klassentegenstellingen en uitbuiting opgeheven zijn, geldt dit naar buiten toe duidelijk niet. Er bestaat een onoplosbare en fundamentele tegenstelling tussen het socialistische en het imperialistische stelsel. Dit betekent natuurlijk niet dat het socialisme op wereldschaal de doorslag zal geven door een overwinning van de socialistische staten over de kapitalistische. De progressieve beweging in de kapitalistische landen is een onontbeerlijk bestanddeel van de internationale ontwikkeling naar het socialisme. Elke nationale tegenstelling daarbinnen remt die ontwikkeling. De socialistische landen mogen zich ook niet tevreden stellen met de zekerheid dat het socialisme overwint als de imperialistische staten maar geen atoomoorlog ontketenen. De verdeling van de industriele wereld in twee tegenover elkaar staande systemen vormt op zich al een bron van conflicten die door geen van beide statengroepen te beheersen zijn. Alleen een voortdurend streven naar vreedzaam naast elkaar bestaan van alle staten, die de gemeenschappelijke belangen bij de oplossing van de globale problemen voorop stellen, kan voortgang naar het socialisme verzekeren. De communistische beweging gaat ervan uit dat maatschappelijke tegenstellingen die in de economische basis geworteld zijn slechts door hogerontwikkeling naar een communistische wereldorde kunnen worden opgeheven. De klassentegenstellingen en de tegenstelling tussen socialisme en kapitalisme zijn van een dergelijke fundamentele aard. Het bestaan van mensheidomvattende belangen ondergraaft de juistheid van deze positie niet. Slechts door te erkennen dat maatschappelijke tegenstellingen niet genegeerd kunnen worden, en vraagstukken van de lange termijn betreffen, kunnen ook urgente problemen van gemeenschappelijke aard worden aangepakt. Slechts het inzicht in deze onverzoenlijke maatschappelijke tegenstellingen kan de basis vormen van een bewuste, konsekwente politiek van vrede en maatschappelijke vooruitgang op de lange termijn. Daarom wijst het wetenschappelijke communisme elke poging af om deze tegenstelling "op te lossen" die uitgaat van waarden die het fundamentele karakter van de klassentegenstellingen ontkennen. Elke idealistische illusie op dit gebied vormt een gevaar voor de vrede en de maatschappelijke ontwikkeling. Daarom houden communisten vast aan de onverzoenlijkheid van de ideologische strijd tussen de burgerlijke wereldvisies en het wetenschappelijk communisme. Ook in de ideologisch opzicht kan de socialistische staat niet neutraal zijn, net zomin als de communistische beweging.
Dat betekent niet dat er geen kritiek mogelijk is. Integendeel, zoals elke wetenschap kan het wetenschappelijk communisme zich alleen via kritiek en openbare discussie verder ontwikkelen. Maar deze kritiek en discussie zijn alleen mogelijk op basis van een wetenschappelijke methode en met afwijzing van alle, uiteindelijk onwetenschappelijke, burgerlijk-idealistische wereldvisies.
 

NOTEN

1. Karl Marx, Klassenstrijd in Frankrijk. Onder andere in: Marx/Engels Werke (MEW) 7, p. 89/90
2. MEW 18, p. 633
3. Lenin Werke (LW) 27, p. 334
4. Das MilitSrprogramm der proletarischen Revolution. LW 23, p. 74
5. Der Zusammenbruch der II. Internationale, LW 21, p. 206
6. Karl Marx, Kritiek op het Program van Gotha. Pegasus, Amsterdam, 1972, p. 34
7. Karl Marx/Friedrich Engels, Het Communistisch Manifest. Pegasus, Amsterdam, 1971, p. 65
8. Wladimir Iljitsj Lenin, Staat en Revolutie. In W.I. Lenin, Keuze uit zijn werken, deel 2. Progress, Moskou, 1973, p. 485
9. Karl Marx, Kritiek op het Program van Gotha, p. 23
10. Wladimir Iljitsj Lenin, Staat en Revolutie, p. 542
 

GEBRUIKTE LITERATUUR

Naast de geciteerde literatuur is voor het schrijven van dit hoofdstuk onder andere gebruik gemaakt van:

- "Wissenschaftlicher Kommunismus", DVW, Berlin, 1975
- H. Jung/J. Schleistein, Die materialistische Geschichtsauffassung und der Charakter unserer Epoche. In: Deutsche Zeitschrift fr Philosophie (1983) 5 en 6
 

LITERATUUR VOOR SCHOLINGSDEELNEMERS

- Karl Marx/Friedrich Engels, Het Communistisch Manifest. Pegasus, Amsterdam, 1971 (is in het scholingsprogramma al behandeld)
- Wladimir Iljitsj Lenin, Karl Marx: de paragraaf "Het socialisme". Diverse uitgaves
 

LITERATUUR VOOR SCHOLINGSLEIDERS EN ANDERE BELANGSTELLENDEN

- Karl Marx, Kritiek op het Program van Gotha. Pegasus, Amsterdam, 1972
- Friedrich Engels, Anti-Dhring. Progres, Moskou, 1978. Hieruit zijn voor dit onderwerp vooral de volgende gedeeltes van belang: Eerst deel: Filosofie, Hoofdstuk X en XI. Tweede deel: Politieke economie, Hoofdstuk IV. Derde deel: Socialisme (Een gedeelte van dit derde deel is door Engels omgewerkt tot de brochure "De ontwikkeling van het socialisme van utopie tot wetenschap"
- Friedrich Engels, De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat. Pegasus, Amsterdam, 1972. Hieruit is voor dit onderwerp vooral hoofdstuk IX van belang
- Wladimir Iljitsj Lenin, De historische lotgevallen van de leer van Karl Marx. Diverse uitgaves. Dit artikel is onder andere opgenomen in het bundeltje "Karl Marx en zijn leer", Progres, Moskou, 1984
- Wladimir Iljitsj Lenin, Staat en Revolutie. Onder andere in: W.I. Lenin, deuze uit zijn werken, deel 2. Progres Moskou, 1973. Voor dit onderwerp is vooral hoofdstuk V van belang.
- Wladimir Iljitsj Lenin, Het grote iniatief. Onder andere in: W.I. Lenin, keuze uit zijn werken, deel 3. Progres, Moskou, 1975